202108.31
0
0

Niet langer ambtshalve toetsing van bezwaar- en beroepstermijn in eerdere fase

Ditmaal schrijf ik iets over een tamelijk formeel bestuursrechtelijk onderwerp, normaal gesproken iets buiten mijn comfort zone, maar interessant en belangrijk genoeg om te signaleren.

Er is sinds juli 2021 sprake van een ommezwaai in de bestuursrechtspraak.

In drie recente uitspraken hebben achtereenvolgens de Centrale Raad van Beroep, de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de bestuursrechter niet langer ambtshalve mag beoordelen of het in een vorige fase ingediende bezwaar of beroep tijdig is ingediend, en evenmin of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.

Zodoende zullen bestuursrechters alleen nog ambtshalve (dat betekent: zonder daartoe te zijn verzocht) toetsen of bezwaar- en/of beroepschriften tijdig bij ‘henzelf’ zijn ingediend en niet meer ambtshalve of in een vorige fase van de procedure de stukken tijdig zijn ingediend. Waar voorheen een per ongeluk ontvankelijk verklaard bezwaar nog kon stranden bij de rechtbank op niet-ontvankelijkheid, zal zo’n zaak vanaf nu gewoon inhoudelijk behandeld worden. Met andere woorden: is een bezwaar eenmaal inhoudelijk behandeld, dan zal de bestuursrechter in een beroepszaak dat dus ook moeten doen. Hetzelfde geldt voor de toetsing in hoger beroep van de tijdigheid van het daaraan voorafgaande beroep.

Deze wijziging zou kunnen worden beschouwd als het einde van een – zich soms voordoende – mogelijkheid voor de bestuursrechter om zich makkelijk van een zaak af te maken zonder inhoudelijk te hoeven oordelen. Daarom komt de nieuwe lijn mij wenselijk en logisch voor. Het kwam namelijk voor dat  een bestuursorgaan een inhoudelijke beoordelingsfout (niet louter omtrent formaliteiten) heeft gemaakt bij het nemen van een besluit, doch deze fout nooit meer kon worden blootgelegd omdat er bij nader inzien in een eerdere fase iets was misgegaan met de bezwaar- of beroepstermijn. Het voelt onbevredigend als zo een zaak niet wordt opgelost, maar strandt op niet-ontvankelijkheid.

Hoewel de onderhavige uitspraken geen betrekking hadden op onderwerpen uit het ruimtelijk bestuursrechtelijk (namelijk persoonsgebonden budget(pgb), aanslag erfbelasting respectievelijk huurtoeslag), is de nieuwe lijn evenzeer van toepassing op het ruimtelijk bestuursrecht. Ook al manifesteert het fenomeen zich in dat rechtsgebied iets minder snel.

In het ruimtelijk bestuursrecht zijn immers vaak derde-belanghebbenden in het spel , bijvoorbeeld de projectontwikkelaar die een omgevingsvergunning heeft verkregen. De derde-belanghebbende mag meedoen in de procedures in bezwaar en beroep. Diens belang is uiteraard – in ons voorbeeld – dat de vergunning overeind blijft en  deze derde-belanghebbende zal alleen al om die reden in beroepexpliciet aanvoeren dat het bestuursorgaan het eigenlijk te laat ingestelde bezwaar tegen zijn vergunning ten onrechte “wel ontvankelijk” heeft verklaard. Dan zal de bestuursrechter wél moeten toetsen of het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Die toets is immers op verzoek, en derhalve niet ambtshalve. Op die manier blijft de rechtszekerheid van die derde-belanghebbende ook onder de nieuwe lijn gewaarborgd .

Dat betekent dus ook dat de derde-belanghebbende – in ons voorbeeld de projectontwikkelaar – zijn belang, namelijk de geldigheid van de door hem verkregen vergunning, dus voortaan zelf zal moeten bewaken. De bestuursrechter mag hem niet meer te hulp schieten door ambtshalve te beoordelen of het ingediende bezwaar tijdig was.

Rob van Duivenboden, 31 augustus 2021

Schrijf je hier in voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van de nieuwste blogs. 


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *